Gordel van Smaragd

Eduard Douwes Dekker (1820 – 1887) was een bekend Nederlands schrijver. Zijn pseudoniem was Multatuli, waar hij dan ook mee bekend is geworden. Hij werkte als ambtenaar in Nederlands-Indie waar, toen hij er op negentienjarige leeftijd aankwam, zijn ‘ziel ontwaakte’. Tevens zag hij de vele wantoestanden onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse bewind. Zijn bekendste werk is de roman Max Havelaar, waarin hij -op basis van zijn eigen ervaringen- de behandeling van de plaatselijke bevolking door Nederlandse en Nederlands-Indische bestuurders aan de kaak stelt.

In dit boek noemt hij Nederlands-Indie “De Gordel van Smaragd”. De bijnaam combineert het schone van de Indonesische natuur met het feit dat het een uitgestrekte archipel is. Zijn pseudoniem Multatuli heeft een diepliggende betekenis. Het is Latijn voor ik heb veel (leed) gedragen (multa tuli). Maar het is ook een verwijzing naar een beroemde passage uit de Tristia van Ovidius. Hij was een groot Romeins dichter die leefde rond de geboorte van Jezus Christus.

Advertenties

Centra van godsdienst, wetenschap en cultuur

Rond het jaar 300 na Christus had het christendom zich stevig verankerd in het Romeinse Rijk. Bekend zijn de vreselijke verhalen over vervolgingen van de christenen in de eerste eeuwen na de dood van Jezus. Die vervolgingen hebben wel plaatsgevonden, maar niet op zo’n grote schaal als er over wordt geschreven. Ze zijn sterk aangedikt door latere christelijke geschiedschrijvers.

Keizer Constantijn de Grote erkent het christendom als geloof.

Wel is het een feit dat het christendom als godsdienst in het Romeinse Rijk over het algemeen getolereerd werd en dat deze godsdienst veel aanhangers kreeg. Onder keizer Constantijn werd het christendom in 313 officieel toegelaten en hij was ook de eerste keizer die zich liet dopen. Vanaf die tijd werden er in Europa, vooral in het zuiden, kerken gebouwd en kloosters gesticht. Kloosters speelden een belangrijke rol in de samenleving. Het waren centra van godsdienst, wetenschap en cultuur.

Na deze eerste bloeitijd van het christendom in Europa, volgde een periode van verval. Vanaf het jaar 400 werd het Romeinse Rijk belaagd door allerlei ‘barbaarse’ volken die vanuit het oosten werden opgejaagd. De periode die volgde staat in de geschiedenis bekend als de periode van de volksverhuizingen. De Romeinen konden hun grote rijk niet beschermen en trokken zich terug. Het West-Romeinse Rijk verdween. Het Oost-Romeinse Rijk (Byzantium) bleef bestaan, met het christendom als belangrijkste godsdienst.

De volksverhuizingen

In Europa vestigden zich nieuwe volkeren: Franken, Saksen, Vandalen, Goten. Zij trokken al plunderend rond en verwoestten de steden, kerken en kloosters. Het was een tijdelijke inzinking. In Groot-Brittannie en vooral Ierland waren de kloosters gespaard gebleven en van daaruit begon rond 500 een nieuwe kerstening van Europa. Het succes was vooral te danken aan het feit dat de Frankische koningen zich bekeerden.

Hebban olla vogala?

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?

Het lijkt er niet op, maar dit is toch echt Nederlands. Het is een van de alleroudste geschreven zinnen in de Nederlandse taal. Ongeveer 1000 jaar geleden werd deze zin opgeschreven. Er staat letterlijk: “Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; wat wachten we nu?”. Nu is het niet meer zo lastig om te bepalen wat er bedoeld wordt: “Alle vogels zijn al aan het nestelen, behalve jij en ik; waar wachten we nog op?”. Dit zijn waarschijnlijk twee regels uit een liefdesliedje. De oudste Nederlandse love song.

Maar waar komt deze zin vandaan en hoe is hij bewaard gebleven? Rond het jaar 1100 schreef een Vlaamse monnik de zin op als een ‘pennenproef’. Deze monnik woonde in een Engels klooster waar hij hele dagen Latijnse en Oudengelse teksten overschreef. Dit schrijven gebeurde met een ganzenveer die telkens in de inkt gedoopt werd. Na een tijdje schrijven werd de ganzenveer wat botter en schreef hij niet goed meer. Dan moest de pen aangescherpt worden. Een erg precies klusje, waarbij de nieuwe punt eerst getest moest worden voordat er verder geschreven werd. Dat testen gebeurde op de laatste bladzijde van het boek dat deze Vlaamse monnik op dat moment aan het schrijven was. Om te testen, schreef je meestal het eerste op wat in je opkomt. Bij de Vlaamse monnik was dit een liefdesversje uit zijn jeugd.

De Nederlandse taal is ouder dan wanneer deze regel geschreven werd. Tot 1100 was de taal namelijk alleen een spreektaal. Nederlandse verhalen bestonden toen alleen in de hoofden van de mensen en werden mondeling doorgegeven. Er werd niks op papier geschreven.

Als je mijn vorige post onder de tag “Geschiedenis” hebt gelezen; Monnikenwerk, dan weet je dat het geen toeval is dat deze zin in het klooster werd opgeschreven. Lang waren alleen de kloostermonniken degene die de kunst van het schrijven vaardig waren. De teksten die ze schreven (overschrijven / afschrijven) waren vooral kerkelijke teksten in het Latijn. En daarom is dit liefdesversje in een kloosterboek zo bijzonder: het is het begin van het Nederlands als geschreven taal.

The last train

1933 kwam in Duitsland Adolf Hitler aan de macht. Hij was de leider van de Duitse partij NSDAP, de Nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij. Deze partij gaf de Joden er de schuld van dat het slecht ging in Duitsland. Hitler wilde alle Joden weg hebben. Daarom liet hij heel veel Joden oppakken. In mei 1940 begon Duitsland de oorlog tegen Nederland. Na 5 dagen vechten waren de Duitsers de baas in Nederland.
Al snel gingen de Duitsers ook in Nederland de Joden apart houden van de rest van de bevolking. Vanaf juli 1942 begonnen de Duitsers met het wegvoeren van Nederlandse Joden naar Oost-Europa. Alle Joodse gezinnen moesten hun koffers pakken om daar te gaan werken. Ze werden van huis opgehaald en op de trein gezet naar het concentratiekamp Westerbork in Drenthe. Vanuit dat kamp werden ze afgevoerd naar Duitse concentratiekampen. Meer dan 100.000 Joodse mannen, vrouwen en kinderen uit Nederland zijn daar vermoord. Op 13 september 1944 vertrok de laatste trein met mensen uit kamp Westerbork. Op 12 april 1945 werd het kamp door Canadese soldaten bevrijd.

Marron

Gisteren plaatste ik het bericht “Monnikenwerk”, over gezegdes, uitspraken en woorden met een historische betekenis. Vandaag gaat het over de uitspraak “Naar de barbiesjes gaan”.

Deze uitspraak betekent niet veel goeds. Barbiesjes is een verbastering van Berbice, en degenen die daar in de koloniale tijd heen gingen, wachtten een hels, heet en kort bestaan. Berbice ligt in het huidige Guyana en was vanaf 1627 zo’n twee eeuwen lang een kleine Nederlandse kolonie ten westen van het veel grotere Suriname.

West Indie vaarder, 17e eeuw

De economische basis was het plantagesysteem. Hier werden producten verbouwd als suiker en koffie voor de Europese markt, die werden geproduceerd met behulp van slavenarbeid. Er waren meerdere opstanden vanuit de slaven die rebelleerden tegen hun lot, ondanks de risico’s die dat met zich meebracht. Niemand heeft ooit bijgehouden hoeveel opstanden er waren in de vroegmoderne Atlantische wereld. De meeste opstanden waren maar klein en werden binnen enkele dagen onderdrukt. Een andere optie voor de slaven was weglopen. Sommige slaven, meestal mannen, wisten de plantages te ontvluchten en stichtten dorpen diep in de binnenlanden. Hier leefden ze onafhankelijk van de koloniale samenleving: deze mannen werden marrons genoemd. De meeste slaven waagden zich niet aan een gewapend verzet of weglopen.

Landkaart Suriname en Berbice

Dit alles maakt de opstand in Berbice interessant. Tussen februari 1763 en juli 1764 vond een van de grootste slavenopstanden in het 18e eeuwse Caribisch gebied plaats. Om verschillende redenen is deze opstand opmerkelijk. De rebellen treedden zelf als slavenmeesters op: zij maakten hun tegenstanders tot slaaf. De opstand was ook langduriger dan elders en omvangrijker: bijna alle slaven in Berbice werden erin meegesleurd, goedschiks of kwaadschiks.

Bron: Kars, M. (2012) De slavenopstand van Berbice. Geschiedenis magazine. 6, 45 – 49.

Ontstaangeschiedenis cultuureducatie in Zeeland

Vanaf het eind van de jaren ’70 zijn provincies meer gaan regelen hoe kunst en cultuur bij hen aangeboden wordt. De gemeenten zijn de muziekscholen financieren en zo zijn ook de eerste contacten met de basisscholen gelegd. De provincie Zeeland financiert de ondersteunende instellingen (SCOOP, de Zeeuwse bibliotheek en SCEZ), deze instellingen bereiken bijna 75% van de basisscholen.

Bij cultuureducatie in Zeeland zijn de volgende instanties betrokken; het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, ROC, HZ, de Roosevelt Academie, verschillende culturele instellingen (SCOOP, SCEZ, bibliotheken, musea, archieven, schouwburgen, pop podia, enz.), alle Zeeuwse gemeenten, de Provincie Zeeland.

De provincie Zeeland financiert de ondersteunende instellingen, is een initiator van de cultuur educatieve infrastructuur in samenwerking met gemeenten door ondersteuning per regio van de centra cultuureducatie, ondersteunt de activiteiten van het onderwijs, maakt de ICC cursus mede mogelijk en organiseert de Onderwijsdag Cultuureducatie Zeeland.

Bron; Jan Leendert Verduijn, gedeputeerde Provinciale Staten in Zeeland, contactpersoon cultuur

Stage voor de minor

Tijdens de minor cultuureducatie moesten wij een stage lopen op een basisschool die aangesloten was bij de kinderkunstweek. Hieronder vind je mijn overzicht van uitgevoerde activiteiten. Verdere uitleg over de activiteiten kun je vinden in andere posts.

20 maart

Kinderkunstweek

Grote opening van het project in de hal van de school. Hierbij wordt een verhaal voorgelezen voor alle groepen.

De eerste opdracht van het project: een les geven over Victor Vasarely.

21 maart

Kinderkunstweek

Grote opening van de kinderkunstweek op het abdijplein. Ik ga mee als begeleider van mijn eigen stagegroep.
23 maart

Kinderkunstweek

Gastles van een kunstenares over evenwicht. Hierbij assisteer ik de kunstenares, help ik de leerlingen en loop ik rond om te observeren.
26 maart

Kinderkunstweek

Flashmob op het schoolplein waarmee mijn groep begint. Hoeveel kinderen zullen er mee gaan doen?

Tweede gastles van een kunstenares over beweging. Hierbij assisteer ik de kunstenares, help ik de leerlingen en loop ik rond om te observeren.

27 maart

Kinderkunstweek

Bezoek aan het atelier van Marinus Boezem.

De tweede opdracht van het project: een les geven over Jean Tinguelly.

13 maart Bezoek aan het Zeeuws Museum met het project “in het spoor van de VOC”.
17 april Observeren van een les geschiedenis.

Observeren van een les muziek.

24 maart Geven van een les geschiedenis – Michiel de Ruyter.

Observeren van een les muziek.

8 mei Geven van een les geschiedenis – slavernij.

Geven van een les muziek – boomwhackers.

15 mei Geven van een les geschiedenis – tweede les slavernij.

Geven van een les muziek – I like the flowers.

22 mei Observeren van een les geschiedenis.

Geven van een les muziek – tweede les boomwhackers.

5 juni Geven van een les geschiedenis – ontdekkingsreizen.

Geven van een les muziek – de verliefde stieros.

12 juni Geven van een les geschiedenis – de franse revolutie.

Geven van een les muziek – hoepel op Jack.

15 juni Afnemen interview voor het onderzoek.

Informatie over de ICC’er.

Inkijken cultuurbeleidsplan van een andere school.

Monnikenwerk

Soms sta je er niet stil bij, maar alle uitdrukkingen, gezegden en soms zelfs woorden danken hun bestaan aan een historische betekenis. Zo is dat ook met het woord monnikenwerk.

Een van de eerste monniken die een klooster bouwde was Benedictus. Hij was van mening dat de mensen in zijn tijd niet goed leefden. Ze waren egoistisch, dachten alleen maar aan zichzelf en bovenal dachten ze niet aan God. Om deze reden verliet hij de drukte van de stad om met een aantal andere mannen het eerste grote klooster te bouwen, boven op een berg. In dit klooster vonden ze de rust die nodig was om op zoek te gaan naar God. De monniken verrichtten veel arbeid. Ze werkten op het land, verbouwden groenten en tarwe voor brood en ze zorgden voor de zieken en de armen.

Een hele belangrijke taak van de monniken in de middeleeuwen was het overschrijven van teksten uit de bijbel. In die tijd konden alleen de monniken lezen en schrijven en de techniek om boeken te drukken bestond nog niet. Het overschrijven gebeurde met een ganzenveer en inkt. Het schrijven deed hij in het scriptorium, een speciale kamer. Met een boek kon hij wel twee jaar bezig zijn, het was dus echt monnikenwerk.

De uitbarsting

In het jaar 79 na Christus gebeurde er iets vreselijks in het Romeinse Rijk. De vulkaan Vesuvius barstte uit in alle hevigheid. Drie dagen lang spuwde de vulkaan as en lava. Complete dorpen en steden verdwenen onder het natuurgeweld om vergeten te worden. Dit gebeurde ook met de welvarende stad Pompeii. Ruim 1800 jaar later werden er pas de eerste opgravingen georganiseerd en dankzij deze opgravingen weten wij nu veel over hoe de Romeinen in die tijd leefden.

De bekendste eruptie van de Vesuvius is die van augustus 79. Dit was de gewelddadigste uitbarsting die tot nu toe in historische tijden plaatsvond. De top van de vulkaan explodeerde en de Romeinse plaatsen Pompeii, Stabiae en Oplontis werden volledig bedolven onder as en puimsteen, terwijl eenpyroclastische golf en een lavastroom Herculaneum troffen. Ook verspreidden giftige gassen als koolstofmonoxide (CO) zich door Pompeii. Ongeveer 10.000 mensen werden gedood, waarvan maar 2300 lichamen zijn teruggevonden. Uit recent wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat mensen levend werden gekookt, “gezandstraald” door de gloeiend hete aswolk en vervolgens levend ontvleesd. De hersenpan explodeerde doordat de temperatuur van het superhete gas tussen de 500 en 550 graden Celsius bedroeg.

Dat de vulkaan zo abrupt en met zo’n hevigheid uitbarstte, overviel de mensen. Zij werden zo verrast dat er tijdens de opgravingen afschuwelijke vondsten werden gedaan. Tijdens het graven stuitten de archeologen op holten in de vijf meter dikke aslaag die de stad bedekte. In deze holten werd gips gegoten wat ze lieten drogen en daarna eromheen de as weg bikkelde. De holten bleken te zijn ontstaan door het verteren van de lichamen van mensen en dieren. Op sommige gezichten zie je dat ze compleet verrast werden door de uitdrukkingen en anderen zaten bijvoorbeeld in bad.

Het verloop van deze ramp is vooral bekend door een ooggetuigenverslag van Plinius de Jongere in een brief aan de geschiedschrijver Tacitus. Plinius Minor maakte aantekeningen gedurende de uitbarsting vanuit Kaap Misenum – een stad aan de andere kant van de baai en zo’n 30 kilometer van de Vesuvius. Ondertussen trok zijn oom Gaius Plinius Secundus maior, ook wel bekend als Plinius de Oudere, erop uit om mensen te gaan redden. Hij kon echter nergens aan land gaan. Uiteindelijk besloot hij naar Stabiae te gaan, maar Plinius de Oudere zou het niet overleven. Hij overleed aan de giftige gassen van de Vesuvius op het strand van Stabiae.