Volksverhuizingen

Aan het einde van het Oost-Romeinse Rijk vielen allerlei stammen het Rijk binnen. Doordat het Rijk van binnenuit al sterk verzwakt was, zorgden deze invallen ervoor dat het Romeinse Rijk uiteen viel. De periode na het Romeinse Rijk worden de middeleeuwen genoemd. Deze eeuwen kenmerken zich door de veranderingen in de samenleving. Kennis van de Romeinen ging verloren en de mensen gingen weer leven zoals ze voor de tijd van de Romeinen hadden gedaan.

De stammen die het Rijk binnenvielen waren Germanen, Angelen, Saksen, Hunnen, Goten, Kelten en Franken. Deze nomadische stammen trokken van de ene plek naar de andere. Allen op zoek naar een nieuw gebied om te leven. Doordat deze stammen andere plekken gingen zoeken, duwden ze als het ware de bestaande stammen van die plaats voor zich uit. Deze veranderden op die manier ook weer van woongebied.

Deze onrustige eeuwen zorgden dus voor vele veranderingen. Toen uiteindelijk iedereen zich gesetteld had op zijn nieuwe plek, keerde de rust terug. Kennis van de oudheid was verloren gegaan, maar dankzij de monniken zijn we wel te weten gekomen wat er in die periode is gebeurd. Zij konden nog lezen en schrijven, wat de meeste mensen helemaal niet meer konden.

Advertenties

Gordel van Smaragd

Eduard Douwes Dekker (1820 – 1887) was een bekend Nederlands schrijver. Zijn pseudoniem was Multatuli, waar hij dan ook mee bekend is geworden. Hij werkte als ambtenaar in Nederlands-Indie waar, toen hij er op negentienjarige leeftijd aankwam, zijn ‘ziel ontwaakte’. Tevens zag hij de vele wantoestanden onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse bewind. Zijn bekendste werk is de roman Max Havelaar, waarin hij -op basis van zijn eigen ervaringen- de behandeling van de plaatselijke bevolking door Nederlandse en Nederlands-Indische bestuurders aan de kaak stelt.

In dit boek noemt hij Nederlands-Indie “De Gordel van Smaragd”. De bijnaam combineert het schone van de Indonesische natuur met het feit dat het een uitgestrekte archipel is. Zijn pseudoniem Multatuli heeft een diepliggende betekenis. Het is Latijn voor ik heb veel (leed) gedragen (multa tuli). Maar het is ook een verwijzing naar een beroemde passage uit de Tristia van Ovidius. Hij was een groot Romeins dichter die leefde rond de geboorte van Jezus Christus.

Centra van godsdienst, wetenschap en cultuur

Rond het jaar 300 na Christus had het christendom zich stevig verankerd in het Romeinse Rijk. Bekend zijn de vreselijke verhalen over vervolgingen van de christenen in de eerste eeuwen na de dood van Jezus. Die vervolgingen hebben wel plaatsgevonden, maar niet op zo’n grote schaal als er over wordt geschreven. Ze zijn sterk aangedikt door latere christelijke geschiedschrijvers.

Keizer Constantijn de Grote erkent het christendom als geloof.

Wel is het een feit dat het christendom als godsdienst in het Romeinse Rijk over het algemeen getolereerd werd en dat deze godsdienst veel aanhangers kreeg. Onder keizer Constantijn werd het christendom in 313 officieel toegelaten en hij was ook de eerste keizer die zich liet dopen. Vanaf die tijd werden er in Europa, vooral in het zuiden, kerken gebouwd en kloosters gesticht. Kloosters speelden een belangrijke rol in de samenleving. Het waren centra van godsdienst, wetenschap en cultuur.

Na deze eerste bloeitijd van het christendom in Europa, volgde een periode van verval. Vanaf het jaar 400 werd het Romeinse Rijk belaagd door allerlei ‘barbaarse’ volken die vanuit het oosten werden opgejaagd. De periode die volgde staat in de geschiedenis bekend als de periode van de volksverhuizingen. De Romeinen konden hun grote rijk niet beschermen en trokken zich terug. Het West-Romeinse Rijk verdween. Het Oost-Romeinse Rijk (Byzantium) bleef bestaan, met het christendom als belangrijkste godsdienst.

De volksverhuizingen

In Europa vestigden zich nieuwe volkeren: Franken, Saksen, Vandalen, Goten. Zij trokken al plunderend rond en verwoestten de steden, kerken en kloosters. Het was een tijdelijke inzinking. In Groot-Brittannie en vooral Ierland waren de kloosters gespaard gebleven en van daaruit begon rond 500 een nieuwe kerstening van Europa. Het succes was vooral te danken aan het feit dat de Frankische koningen zich bekeerden.

Hebban olla vogala?

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?

Het lijkt er niet op, maar dit is toch echt Nederlands. Het is een van de alleroudste geschreven zinnen in de Nederlandse taal. Ongeveer 1000 jaar geleden werd deze zin opgeschreven. Er staat letterlijk: “Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; wat wachten we nu?”. Nu is het niet meer zo lastig om te bepalen wat er bedoeld wordt: “Alle vogels zijn al aan het nestelen, behalve jij en ik; waar wachten we nog op?”. Dit zijn waarschijnlijk twee regels uit een liefdesliedje. De oudste Nederlandse love song.

Maar waar komt deze zin vandaan en hoe is hij bewaard gebleven? Rond het jaar 1100 schreef een Vlaamse monnik de zin op als een ‘pennenproef’. Deze monnik woonde in een Engels klooster waar hij hele dagen Latijnse en Oudengelse teksten overschreef. Dit schrijven gebeurde met een ganzenveer die telkens in de inkt gedoopt werd. Na een tijdje schrijven werd de ganzenveer wat botter en schreef hij niet goed meer. Dan moest de pen aangescherpt worden. Een erg precies klusje, waarbij de nieuwe punt eerst getest moest worden voordat er verder geschreven werd. Dat testen gebeurde op de laatste bladzijde van het boek dat deze Vlaamse monnik op dat moment aan het schrijven was. Om te testen, schreef je meestal het eerste op wat in je opkomt. Bij de Vlaamse monnik was dit een liefdesversje uit zijn jeugd.

De Nederlandse taal is ouder dan wanneer deze regel geschreven werd. Tot 1100 was de taal namelijk alleen een spreektaal. Nederlandse verhalen bestonden toen alleen in de hoofden van de mensen en werden mondeling doorgegeven. Er werd niks op papier geschreven.

Als je mijn vorige post onder de tag “Geschiedenis” hebt gelezen; Monnikenwerk, dan weet je dat het geen toeval is dat deze zin in het klooster werd opgeschreven. Lang waren alleen de kloostermonniken degene die de kunst van het schrijven vaardig waren. De teksten die ze schreven (overschrijven / afschrijven) waren vooral kerkelijke teksten in het Latijn. En daarom is dit liefdesversje in een kloosterboek zo bijzonder: het is het begin van het Nederlands als geschreven taal.

The last train

1933 kwam in Duitsland Adolf Hitler aan de macht. Hij was de leider van de Duitse partij NSDAP, de Nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij. Deze partij gaf de Joden er de schuld van dat het slecht ging in Duitsland. Hitler wilde alle Joden weg hebben. Daarom liet hij heel veel Joden oppakken. In mei 1940 begon Duitsland de oorlog tegen Nederland. Na 5 dagen vechten waren de Duitsers de baas in Nederland.
Al snel gingen de Duitsers ook in Nederland de Joden apart houden van de rest van de bevolking. Vanaf juli 1942 begonnen de Duitsers met het wegvoeren van Nederlandse Joden naar Oost-Europa. Alle Joodse gezinnen moesten hun koffers pakken om daar te gaan werken. Ze werden van huis opgehaald en op de trein gezet naar het concentratiekamp Westerbork in Drenthe. Vanuit dat kamp werden ze afgevoerd naar Duitse concentratiekampen. Meer dan 100.000 Joodse mannen, vrouwen en kinderen uit Nederland zijn daar vermoord. Op 13 september 1944 vertrok de laatste trein met mensen uit kamp Westerbork. Op 12 april 1945 werd het kamp door Canadese soldaten bevrijd.

Marron

Gisteren plaatste ik het bericht “Monnikenwerk”, over gezegdes, uitspraken en woorden met een historische betekenis. Vandaag gaat het over de uitspraak “Naar de barbiesjes gaan”.

Deze uitspraak betekent niet veel goeds. Barbiesjes is een verbastering van Berbice, en degenen die daar in de koloniale tijd heen gingen, wachtten een hels, heet en kort bestaan. Berbice ligt in het huidige Guyana en was vanaf 1627 zo’n twee eeuwen lang een kleine Nederlandse kolonie ten westen van het veel grotere Suriname.

West Indie vaarder, 17e eeuw

De economische basis was het plantagesysteem. Hier werden producten verbouwd als suiker en koffie voor de Europese markt, die werden geproduceerd met behulp van slavenarbeid. Er waren meerdere opstanden vanuit de slaven die rebelleerden tegen hun lot, ondanks de risico’s die dat met zich meebracht. Niemand heeft ooit bijgehouden hoeveel opstanden er waren in de vroegmoderne Atlantische wereld. De meeste opstanden waren maar klein en werden binnen enkele dagen onderdrukt. Een andere optie voor de slaven was weglopen. Sommige slaven, meestal mannen, wisten de plantages te ontvluchten en stichtten dorpen diep in de binnenlanden. Hier leefden ze onafhankelijk van de koloniale samenleving: deze mannen werden marrons genoemd. De meeste slaven waagden zich niet aan een gewapend verzet of weglopen.

Landkaart Suriname en Berbice

Dit alles maakt de opstand in Berbice interessant. Tussen februari 1763 en juli 1764 vond een van de grootste slavenopstanden in het 18e eeuwse Caribisch gebied plaats. Om verschillende redenen is deze opstand opmerkelijk. De rebellen treedden zelf als slavenmeesters op: zij maakten hun tegenstanders tot slaaf. De opstand was ook langduriger dan elders en omvangrijker: bijna alle slaven in Berbice werden erin meegesleurd, goedschiks of kwaadschiks.

Bron: Kars, M. (2012) De slavenopstand van Berbice. Geschiedenis magazine. 6, 45 – 49.

Monnikenwerk

Soms sta je er niet stil bij, maar alle uitdrukkingen, gezegden en soms zelfs woorden danken hun bestaan aan een historische betekenis. Zo is dat ook met het woord monnikenwerk.

Een van de eerste monniken die een klooster bouwde was Benedictus. Hij was van mening dat de mensen in zijn tijd niet goed leefden. Ze waren egoistisch, dachten alleen maar aan zichzelf en bovenal dachten ze niet aan God. Om deze reden verliet hij de drukte van de stad om met een aantal andere mannen het eerste grote klooster te bouwen, boven op een berg. In dit klooster vonden ze de rust die nodig was om op zoek te gaan naar God. De monniken verrichtten veel arbeid. Ze werkten op het land, verbouwden groenten en tarwe voor brood en ze zorgden voor de zieken en de armen.

Een hele belangrijke taak van de monniken in de middeleeuwen was het overschrijven van teksten uit de bijbel. In die tijd konden alleen de monniken lezen en schrijven en de techniek om boeken te drukken bestond nog niet. Het overschrijven gebeurde met een ganzenveer en inkt. Het schrijven deed hij in het scriptorium, een speciale kamer. Met een boek kon hij wel twee jaar bezig zijn, het was dus echt monnikenwerk.

De uitbarsting

In het jaar 79 na Christus gebeurde er iets vreselijks in het Romeinse Rijk. De vulkaan Vesuvius barstte uit in alle hevigheid. Drie dagen lang spuwde de vulkaan as en lava. Complete dorpen en steden verdwenen onder het natuurgeweld om vergeten te worden. Dit gebeurde ook met de welvarende stad Pompeii. Ruim 1800 jaar later werden er pas de eerste opgravingen georganiseerd en dankzij deze opgravingen weten wij nu veel over hoe de Romeinen in die tijd leefden.

De bekendste eruptie van de Vesuvius is die van augustus 79. Dit was de gewelddadigste uitbarsting die tot nu toe in historische tijden plaatsvond. De top van de vulkaan explodeerde en de Romeinse plaatsen Pompeii, Stabiae en Oplontis werden volledig bedolven onder as en puimsteen, terwijl eenpyroclastische golf en een lavastroom Herculaneum troffen. Ook verspreidden giftige gassen als koolstofmonoxide (CO) zich door Pompeii. Ongeveer 10.000 mensen werden gedood, waarvan maar 2300 lichamen zijn teruggevonden. Uit recent wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat mensen levend werden gekookt, “gezandstraald” door de gloeiend hete aswolk en vervolgens levend ontvleesd. De hersenpan explodeerde doordat de temperatuur van het superhete gas tussen de 500 en 550 graden Celsius bedroeg.

Dat de vulkaan zo abrupt en met zo’n hevigheid uitbarstte, overviel de mensen. Zij werden zo verrast dat er tijdens de opgravingen afschuwelijke vondsten werden gedaan. Tijdens het graven stuitten de archeologen op holten in de vijf meter dikke aslaag die de stad bedekte. In deze holten werd gips gegoten wat ze lieten drogen en daarna eromheen de as weg bikkelde. De holten bleken te zijn ontstaan door het verteren van de lichamen van mensen en dieren. Op sommige gezichten zie je dat ze compleet verrast werden door de uitdrukkingen en anderen zaten bijvoorbeeld in bad.

Het verloop van deze ramp is vooral bekend door een ooggetuigenverslag van Plinius de Jongere in een brief aan de geschiedschrijver Tacitus. Plinius Minor maakte aantekeningen gedurende de uitbarsting vanuit Kaap Misenum – een stad aan de andere kant van de baai en zo’n 30 kilometer van de Vesuvius. Ondertussen trok zijn oom Gaius Plinius Secundus maior, ook wel bekend als Plinius de Oudere, erop uit om mensen te gaan redden. Hij kon echter nergens aan land gaan. Uiteindelijk besloot hij naar Stabiae te gaan, maar Plinius de Oudere zou het niet overleven. Hij overleed aan de giftige gassen van de Vesuvius op het strand van Stabiae.

 

Vrijheid, gelijkheid en broederschap

Lodewijk XIV was (volgens zijn tijdgenoten) een erg knappe, charmante man. Hij was voor die tijd wat klein, maar wist dit te verbergen door schoenen met hoge hakken te dragen en een grote pruik op te zetten. Hij woonde met zijn gezin in het grote paleis in Versailles, dat zo’n 600 meter lang was, 2143 ramen telde en in de tuin waren maar liefst 400 fonteinen te vinden. In het 18e eeuwse Frankrijk was het de normaalste zaak van de wereld dat mannen hun eigen hoofdhaar afschoren om grote pruiken te dragen. Met de hygiene was het in die tijd zeer slecht te stellen. Mensen wasten zichzelf niet en de rijke adel spoot dan ook zeer veel parfum op om nare geurtjes te maskeren.

Het paleis van Versailles, gezien vanaf de achterkant.

In de tijd van het koningschap waren er drie standen in Frankrijk. Tot de eerste stand behoorden de geestelijken, priesters en monniken. Zij waren belangrijk voor de koning en hoefden daardoor geen belasting te betalen. Ze mochten deze echter wel zelfstandig heffen. De tweede stand bestond uit de adel: hertogen, grafen en baronnen. Zij waren rijk, maar hoefden geen belasting te betalen aan de koning. Zij bezaten de meeste grond en leefden in luxe. Zij kwamen op de feesten in het paleis van Versailles. Om ervoor te zorgen dat de adel trouw bleef aan de koning, overlaadde hij hen met cadeautjes, erebaantjes en privileges. De derde stand bestond uit de gewone burgerij, kooplieden, boeren, ambachtslieden, dokters en winkeliers. Zij bezaten al niet veel geld en moesten ook nog de meeste belasting betalen.

Lodewijk maakte van Frankrijk een militaire supermacht. Hij vormde een beroepsleger van meer dan 400.000 man, dat steeds direct inzetbaar was. Voor de soldaten werd goed gezorgd en zij kregen mooie militaire uitrustingen met felle kleuren. Hierdoor ontstond er een trots en sterk leger dat vele oorlogen vocht. Voor die oorlogen was er veel geld nodig. Dit moesten de armere burgers van Frankrijk betalen. Ook voor de grote feesten die de koning gaf, was veel geld nodig.

Uiteindelijk stierf Lodewijk XIV en Frankrijk bleef achter in armoede. De schatkist was leeg. Lodewijk XVI (zijn achterkleinzoon) probeerde in zijn regeerperiode de schatkist weer te vullen en Frankrijk uit de armoede te halen. Hij liet de andere standen nu ook belasting betalen. De adel was hier niet blij mee en werden ook ontevreden. Zo kwam het dat het gehele volk ontevreden was. De koning probeerde alles nog te sussen, maar het gerucht ging dat hij soldaten naar Parijs stuurde om plunderende Parijzenaars te straffen. Op 14 juli 1789 barst de bom.

14 juli 1789, de bestorming van de Bastille.

Op 14 juli 1789 bestormen Franse burgers de Bastille en dit werd het symbool voor het begin van de Franse revolutie. Vanaf deze dag begon een chaotische en zeer bloedige periode waarin het volk de koning opzij schoof en de macht van de adel en geestelijken brak. Miljoenen boeren uitten hun eeuwenlange opgekropte woede door het plunderen van landgoederen van de edelen en kloosters. Daarbij werden vele executies uitgevoerd. Om deze executies wat menselijker te maken, bedacht de arts Guillotin een valbijlconstructie waarbij de executie snel en effectief ging: de guillotine. Ook Lodewijk XVI en zijn vrouw Marie Antoinette belandden uiteindelijk onder de guillotine.

Filmpje over Lodewijk XVI en Marie Antoinette

Uit Amerika was groots nieuws gekomen over een grondwet en een regering van burgers. De Franse bevolking wilde dit ook en zij maakten een eigen grondwet “Vrijheid, gelijkheid en broederschap” (Liberte, Egalite et Fraternite). Volgens het volk was dit een anonieme en populaire leuze. Frankrijk was nu een republiek.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Vuurzee

Een grote zee van vuur woedde drie dagen lang door de City van London. Vanaf 12 september 1666 verwoestte deze vuurzee een belangrijk deel van de stad. Er werden 87 kerken en 13.200 huizen verwoest. Wonder boven wonder worden er in de archieven maar de namen van negen tot zestien slachtoffers gevonden.

De brand begon in het oosten van de stad, in het huis van de bakker van koning Karel II. Binnen een uur na het ontstaan van de brand werd de burgemeester wakker gemaakt en op de hoogte gesteld. Nadat de burgemeester het vuur met eigen ogen had gezien, verklaarde hij het als een kleinigheid en ging weer terug naar bed om verder te slapen.

De meeste gebouwen in Londen waren in die tijd van brandbaar materiaal gemaakt, zoals hout en stro. In die tijd had de overbevolkte stad een nog middeleeuws karakter. Door een stevige oostenwind werden de rondvliegende vonken aangewakkerd en snel verspreid over de stad. De brand breidde zich zeer snel uit doordat de huizen dicht opeen stonden en de straten zeer smal waren.

Na vier dagen doofde het vuur vanzelf uit door een gebrek aan brandstof. Wekenlang waren de straten en resten van de huizen onbegaanbaar door de resthitte.

File:Great Fire London.jpg

Er werden vele verklaringen gezocht voor het ontstaan van de brand. Het volk hield zich voornamelijk vast aan bijgeloof. De brand had te maken met het jaartal: 1666, dit jaartal bevat het Getal van het Beest, 666 en was in Romeinse cijfers een aflopende reeks: MDCLXVI. Anderen verklaarden het als een waarschuwing van God, maar waar de waarschuwing dan voor was, daar waren de meningen verschillend over. De Royalisten (aanhangers van het koningshuis) waren ervan overtuigd dat het een straf was voor de onthoofding van Karel I. De katholieken en Quakers (ondogmatische gelovigen) vonden dat hun vervolging de diepere oorzaak zou zijn, terwijl de Puriteinen dachten dat Londen als poel van zonde en verderf het lot van Sosom en Gomorra niet had kunnen ontlopen. Anderen meenden dat de vijand (Engeland was in deze tijd in oorlog met Frankrijk) het vuur hadden aangestoken.

Kapperspaal

We kennen hem allemaal: de rode kapperspaal (vaak ook met blauw) die je bij vele westerse kapperszaken aan de buitenkant ziet hangen. Maar weinig mensen kennen de macabere betekenis ervan.

Naar een arts gaan was een van de ergste dingen die een patient in de zestiende eeuw kon doen. De kans was groot dat er met een mes de aders werden blootgelegd. Al duizenden jaren lang denken artsen het antwoord te hebben gevonden tegen alle kwalen en ziekten: aderlating. Hierbij worden (enkele) aders van de patient opengesneden en het bloed stroomt naar buiten in een kom. De beoordeling of er bij een patient genoeg bloed afgetapt was, is altijd hetzelfde gebleven: was de patient door bloedtekort bewusteloos, dan was de arts tevreden.

Maar wat heeft de kapperspaal met dit verhaal te maken?

De rode streep symboliseert het bloed dat uit de sneden stroomt. Naast knippen en scheren verleende een barbier vroeger nog een andere belangrijke dienst. Hij voerde ook chirurgische ingrepen uit, zoals aderlating. Een arts gaf meestal alleen maar de opdracht tot aderlaten, en liet de echte verrichting van de ingreep aan een barbier over.

Bron: Wetenschap in Beeld – Historia, nummer 4 2012

Het enige echte sprookjesbos

Vandaag (en dit hele jaar) is er reden voor een groot feest in de Efteling, precies 60 jaar geleden opende het (toen nog) pretparkje haar deuren. Het leek in niets op het pretpark dat wij nu kennen, maar er was een begin.

Op 31 mei 1952 wordt het Sprookjesbos geopend. Op de 65 ha. natuur die de Efteling dan omvat zijn waterpartijen, een speeltuin, tennis- en voetbalvelden en tien sprookjes gerealiseerd. De sprookjes van het eerste uur zijn: het Kasteel van Doornroosje, Sneeuwwitje en de zeven Dwergen, de Kikkerkoning, de Magische Klok, de Chinese Nachtegaal, de Sprekende Papegaai, Langnek, de Kabouterhuisjes, de Put van Vrouw Holle en de Kleine Boodschap. Anton Pieck tekent de ontwerpen en laat deze door Peter Reijnders technisch tot leven brengen. Er is twee jaar aan gewerkt om de tien sprookjes te verwezenlijken. Er komen 222.941 bezoekers en een toegangskaartje kost 80 cent (€ 0,36). En nu, 60 jaar later, kost een kaartje bijna 100 keer zoveel..

Tulpomanie

De stadsbestuurders van Haarlem namen begin mei 1637 een ongewoon besluit: zij verboden rechters, advocaten en deurwaarders nog langer zaken over tulpen en tulpenbollen in behandeling te nemen. De maatregel was een noodgreep om de chaos te bezweren die in februari was losgebroken nadat de handel in tulpenbollen als een zeepbel uit elkaar was gespat. Partijen bollen die op papier een vermogen kostten, bleken opeens niets meer waard. Honderden burgers en kleine beleggers hadden bij de crisis al hun geld verloren. Ze probeerden nu tevergeefs bij de verkopers verhaal te halen. In pamfletten en spotprenten werd de draak gestoken met de dwazen die zich hadden laten meeslepen door de ‘tulpomanie’. In hun hebzucht en hoogmoed hadden zij zich laten verleiden tot handel in wind.

Tulpen waren aan het begin van de zeventiende eeuw nog een exotisch en kostbaar goed. De eerste bollen waren in de tweede helft van de zestiende eeuw door Westerse reizigers uit Turkije ingevoerd in Europa. De Leidse botanicus Carolus Clusius kreeg in 1593 een paar tulpenbollen toegestuurd, die hij plantte in de Leidse Hortus.

De exclusieve bloem trok al snel de aandacht van rijke stedelingen. Zij begonnen bollen te kopen om op hun buitens of in de tuinen van hun grachtenhuizen te planten. Het kweken en bemachtigen van nieuwe, bijzondere variëteiten werd onder de ‘happy few’ binnen de kortste keren een rage. Zeldzame soorten bleken hun gewicht in goud waard. De Amsterdamse stadspensionaris Adriaan Pauw, eigenaar van Huis te Heemstede, kreeg in 1625 voor een bol van de felbegeerde Semper Augustus 3000 gulden geboden. Dat was de prijs van een aardige buitenplaats, en tien maal het jaarinkomen van een geschoolde ambachtsman. Pauw sloeg het aanbod af.

Ten zuiden van Haarlem hadden zich, langs de Wagenweg en de Kleine Houtweg, intussen de eerste professionele bollenkwekers gevestigd. Ook rond Alkmaar en Hoorn werden tulpen gekweekt. Maar met het stijgen van de prijzen gingen steeds meer buitenstaanders zich met de tulpenhandel bemoeien. Bloembollen lieten zich vrij eenvoudig vermeerderen, anders dan kostbare verzamelobjecten als schilderijen of Chinees porselein. Wie er in slaagde een bijzondere variëteit op te kweken, kon naast flinke winsten rekenen op status en aanzien. Ook voor kleine kopers als winkeliers en linnenwevers leek rijkdom en stijging op de sociale ladder zo opeens binnen handbereik.

Speculanten, de zogeheten ‘floristen’, roken hun kans en gingen tulpenbollen die nog in de grond zaten, op papier doorverkopen. In herbergen en tapperijen organiseerden zij beurzen die vaak eindigden in uitgelaten drinkgelagen. De prijscontracten gingen tijdens deze ‘colleges’ van hand tot hand, telkens met meer winst. Tijdens de beurzen in het najaar ging het bij deze termijnhandel of handel in futures steeds vaker om bollen die niemand nog in bloei had gezien.

In de laatste maanden van 1636 bereikte de tulpenkoorts een hoogtepunt. Honderden kleine kopers hadden zelfs hun huisraad beleend om mee te doen. Maar op 3 februari 1637 stortte de handel in de Haarlemse ‘colleges’ plotseling in. Een grote partij bollen bleek onverkoopbaar. In Alkmaar werden twee dagen later in de Oude Doelen nog de alllerhoogste prijzen ooit gemaakt. De duurste tulp, de Admirael van Enkckhuizen, verwisselde op papier voor meer dan 5000 gulden van eigenaar. Maar de paniek was niet meer te stoppen. In de weken erna  klapte op alle beurzen de verkoop in elkaar. Het betekende een abrupt einde van de ‘tulpomanie’.

De tulpenwindhandel is vaak beschreven als de eerste grote speculatiegolf in de geschiedenis. Behalve voor de deelnemers die berooid achterbleven, vielen de gevolgen echter mee. De Hollandse bloembollenteelt kwam pas in de periode erna echt tot ontwikkeling. De tulp bleef een gewilde en kostbare bloem, maar de bollen werden voortaan verhandeld tegen reële prijzen. Haarlem en de omringende dorpen groeiden uit tot het bollenteeltgebied bij uitstek. Tot in de negentiende eeuw de telers hun bedrijven naar het zuiden uitbreidden en Hillegom en Lisse de eerste plaats overnamen.

Bron: (http://www.regiocanons.nl/noord-holland/kennemerland/tulpenmania)

De dauphin en de heldin

Vandaag is de dag van Jeanne d’Arc, de maagd van Orleans. Ze is een nationale heldin uit Frankrijk. Ze werd geboren tijdens de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk (1412 – 1431).

Sinds haar dertiende beweerde Jeanne stemmen te horen van God, de aartsengel Michael en de heiligen Catharina en Margaretha. Zij vertelden haar dat het land bevrijd moest worden van de Engelsen. In 1429 zocht ze de dauphin (kroonprins) op, onderweg gekleed als man om zichzelf te beschermen tegen onkuise benaderingen, met als doel hem ervan te overtuigen de strijd op te voeren. Aanvankelijk werd ze verdacht van ketterij, maar ze wist de dauphin toch te overtuigen.

Gekleed als een man, in harnas, wist zij met haar vroomheid, zelfvertrouwen en enthousiasme de gedemoraliseerde Franse troepen in de stad nieuw vertrouwen te geven. Op 8 mei volgde het eerste succes waardoor het “17-jarig meisje verslaat Engelsen” in heel het land aansprak tot de verbeelding en het Franse zelfbewustzijn een boost gaf. De dauphin liet zich door Jeanne overtuigen dat het tijd was om zich te laten kronen. Het kronen van koningen werd traditioneel in de stad Reims gedaan en deze stad moest dan ook eerst veroverd worden. Op 17 juli volgde het tweede succes, de stad Reims werd zonder al te veel moeite veroverd en de dauphin kon gekroond worden tot koning Karel VII.

Joan of arc miniature graded.jpg

En dan laat de koning haar in de steek, hij verraadt haar. Ze wordt gevangen genomen door de Bourgondiers en uitgeleverd aan de Engelsen. Op 9 januari 1431 begon in Rouen een proces tegen Jeanne wegens ketterij en hekserij. Ze wordt veroordeeld tot de brandstapel. Na een maandenlang proces, vol met ontbering, vernedering en foltering, wordt ze ter dood veroordeeld op 3 mei 1431. Ze wordt als heks verbrand en dan treedt de legende binnen.

Het feit dat ze mannenkleding bleef dragen, ook tijdens het proces, gaf de doorslag tot haar doodvonnis.

Terracotta puzzel

Al sinds 1974 worden er in Xiyang, een boerendorpje in China, puzzels opgelost. Tot op de dag van vandaag zijn ze nog steeds bezig met puzzels leggen.

In 1974 werd het eerste aardewerk en het hoofd van een krijger van het terracotta leger van keizer Qin gevonden. Duizenden krijgers zijn en worden opnieuw in elkaar gezet. De monochrome, grijzige beelden die de bezoekers te zien krijgen, vallen in het niet bij de kleurrijke glorie die de krijgers ooit gekend hebben. Een heerser met grote ambities bezat ook een kleurrijke fantasie. Qin Shi Huangdi, de eerste keizer die China onder een dynastie wist te verenigen, voerde tijdens zijn bewind (221 – 210 voor Christus) allerlei hervormingen door. De tiran begon niet alleen aan de bouw van de Chinese muur, maar standaardiseerde ook het Chinese schrift, het muntstelsel en het stelsel van maten en gewichten. Ook ons huidige woord China (Qin wordt als tsjin uitgesproken) vindt zijn oorsprong bij deze keizer.

Het terracottaleger werd gemaakt om keizer Qin te beschermen en te leiden in het hiernamaals. Een grafcomplex van negentig vierkante kilometer werd gebouwd. Het leger van terracottasoldaten en -paarden was geen sombere processie, maar een mystieke vertoning in felle kleuren: rood, groen, paars, blauw en geel.

Helaas hebben de meeste kleuren de tand des tijds niet doorstaan – of de blootstelling aan de lucht bij de ontdekking en opgraving. Al snel bleek dat de verf die gebruikt was niet bestemd was voor de droge buitenlucht in Xi’an en als sneeuw voor de zon verdween.

Bron: National Geographic magazine, Juni 2012

Nooit meer haat

Janusz Korczak was een beroemd kinderarts, pedagoog en kinderboekenschrijver. Hij was van Joodse afkomst. Gaandeweg zijn leven, studies en werkzaamheden is hij steeds meer in aanraking gekomen met weeskinderen en heeft uiteindelijk ook zelf een weeshuis opgezet. In de jaren 1911 / 1912 was hij de directeur van zijn eerste eigen weeshuis, Dom Sierot. Door zijn aanpak met de kinderen werd hij een beroemder pedagoog en kinderarts.

Tijdens de eerste wereldoorlog werd Korczak een militair arts, de rang van luitenant in het Russische leger. Maar in zijn vrije tijd bleef hij pedagogische essays schrijven. Na de oorlog keerde hij terug naar Warschau.

Toen de tweede wereldoorlog in 1939 uitbrak, meldde Korczak zich bij het Poolse leger. Destijds was hij zestig jaar oud en hij werd afgekeurd om in het leger te dienen. Hij moest toezien hoe de Polen en dan voornamelijk de Joden minachtend werden behandeld door het Duitse ‘Herrenvolk”. Toen de nazi’s in 1940 het Getto van Warschau creeerde, werd hij gedwongen zijn weeshuis naar de getto te verhuizen. Korczak ging bij het weeshuis inwonen.

Op 5 augustus 1942 kwamen Duitse soldaten de 192 (of 196) weeskinderen ophalen en ongeveer een dozijn stafleden om hun naar het vernietigingskamp Treblinka te brengen. Korczak hoefte niet mee te gaan wegens zijn militaire achtergrond, maar hij sloeg het aanbod om achter te blijven meerdere keren af. Hij zei geen afstand te zullen doen van zijn kinderen. Bij het vertrek werden de kinderen in hun mooiste kleren gekleed en ieder droeg een blauwe knapzak met een lievelingsboek- of speeltje. Joshua Perle, een ooggetuige heeft beschreven hoe Korczak en de kinderen naar de deportatieplaats waar de treinen vertrokken naar de vernietigingskampen gingen:

…Een wonder gebeurde. Tweehonderd kinderen schreeuwden niet. Tweehonderd zuivere zielen, die ter dood worden veroordeeld, huilden niet. Niet één van hen liep weg. Niemand probeerde zich te verbergen. Als getroffen zwaluwen klampte zij zich vast aan hun leraar en mentor, aan hun vader en broer, Janusz Korczak, opdat hij hen beschermen en redden zou. Janusz Korczak liep voorop, het hoofd gebogen, met een kind aan elke hand, zonder hoed, een leren riem rond zijn middel, en hoge laarzen dragend. Enkele verpleegsters werden gevolgd door tweehonderd kinderen, gekleed in schone en keurig verzorgde kleren, alsof zij naar het altaar werden gedragen […] Van alle kanten waren de kinderen omringd door Duitsers, Oekraïners, en dit keer ook Joodse politieagenten. Dezen ranselden op hen in. De stenen van de straat huilden bij het gezicht van die processie.

“Janusz Korczak en de kinderen” in Yad Vashem


Uit de Nieuwe Wereld 2

Antonin Dvorak was docent aan het Praagse conservatorium. Sinds 1895 brak hij met Praag en zijn docentschap en vertrok hij naar Amerika. Hier werd hij directeur van het door Jeanette Thurber gestichte National Conservatory in New York City. Naast zijn werk voor het conservatorium vond hij ook tijd om te dirigeren en vooral voor het componeren. Zo ontstonden meerdere Amerikaanse werken, waarvan de bekendste zijn negende symfonie is, Uit de Nieuwe Wereld.

Met het begrip de Nieuwe Wereld worden de continenten bedoeld die door de Europeanen vanaf 1492 werden ontdekt. Het woord ‘Nuovo Mundo’ werd door de ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci voor het eerst gebruikt, om aan te duiden dat zijn voorganger Christoffel Columbus (in tegenstelling tot wat hij zelf dacht) niet Azie had bereikt via de westelijke route, maar een geheel Nieuwe Wereld. Met het begrip de Oude Wereld worden Europa, Afrika en Azie bedoeld.

Hoewel ook Australie en Antarctica na 1492 zijn ontdekt, worden ze niet tot de Nieuwe Wereld gerekend. Ook kunnen ze niet worden ingedeeld in de oude wereld. Hun indeling is vaak een struikelblok in de geografie van de wereld. Vaak wordt de term ‘Terra Australis’ (wat zuidelijk land betekent) gebruikt sinds de 18e eeuw.

Uit de Nieuwe Wereld

De negende symfonie van Antonin Dvorak. En nu zullen jullie denken, waarom heeft ze een klassiek muziekstuk op haar blog gezet? Dat is toch niks voor haar. Heeft iemand enig idee? Over een poosje zal er tekst en uitleg volgen over deze post. Voor nu laat ik jullie hersens nog even kraken.

En toch vind ik dit ook een mooi muziekstuk.

Stockzolder

Den Haag is een van mijn favoriete steden in Nederland en ik ga er dan ook graag heen. Er is daar zoveel te beleven en te zien! Mijn vorige post ging al over het Omniversum. Deze post zal gaan over de gevangenpoort.

Het jaar 1280. De poort aan het Buitenhofvormde de hoofdpoort tot het slot van de Graven van Holland, nu het Binnenhof. In 1428 werd deze Voorpoort van den Hove ook een gevangenis. Wanbetalers werden er opgesloten en verdachte misdadigers wachtten er op hun proces. Een eeuw later bouwde men aan de poort het deel met de gajolen (de cellen) en het gerechtsgebouw.

Verdachten werden in de donkere en koude gajolen opgesloten in afwachting van ondervraging en berechting. Dat kon soms maanden duren, maar gevangen- houding was tot de 17e eeuw geen strafmaat op zich. Het ging om geldboetes, verbanning, schand-, lijf- of doodstraffen.

Bekende vaderlanders als Cornelis de Witt en Dirk Volckertszoon Coornhert hebben in de Gevangenpoort vastgezeten. Ze verbleven in een eigen, luxe cel: de Ridderkamer.

Vierhonderd jaar lang was het een gevangenis. In 1828 kwam de Gevangenpoort leeg te staan. Het heeft twee nominaties voor sloop overleefd, één in 1853 dankzij minister Thorbecke en één in 1873 dankzij de aartsvader van de nationale monumentenzorg Victor de Stuers. Sinds 1882 is de Gevangenpoort een museum.

Bron: (http://www.gevangenpoort.nl/page/geschiedenis)

Ikzelf vind het een geweldig museum. Een oud gebouw, een hele goede rondleiding (met lugubere verhalen) en in mooie staat bewaard gebleven. Toevallig is mijn stageklas bij geschiedenis aangekomen in de Gouden Eeuw, waarbij het gaat over de gebroeders de Witt en de opsluiting / ter dood veroordeling in de gevangenpoort. Kinderen zullen dit museum ook erg leuk vinden (niet te jong natuurlijk). Je kunt het museum niet zelfstandig betreden, er worden altijd rondleidingen gegeven. Tijdens die rondleiding loop je door het museum en krijg je de verhalen te horen die bij de verschillende kamers horen. Je ziet welke grote verschillen er waren qua cel voor rijke en arme mensen en het toppunt is toch wel de stockzolder, waar de grootste collectie strafwerktuigen van Nederland te vinden is.

Paaseiland

Sinds een aantal jaren staat er in Dauwendaele een standbeeld van een hoofd dat je kunt vinden op Paaseiland. Toen ik het de eerste keer zag, was ik dolenthousiast. En iedereen moest het weten, het was zo uniek! Ik heb ook zeker wel een aantal keren moeten uitleggen waarom dit hoofd nu eigenlijk in Middelburg stond. Eigenlijk is dat heel simpel.

'Kop van Jacob Roggeveen' (beeldhouwer Peter de Jong) bij verpleegcentrum Buitenrust, Middelburg

Een van Nederlands bekendste ontdekkingsreizigers komt uit Zeeland. Zijn ontdekking van Paaseiland op 5 april 1722 maakt hem wereldberoemd. Over het leven van Jacob Roggeveen is niet veel bekend. Hij is notaris in Middelburg, raadsheer in Batavia, ontdekkingsreiziger en twee keer getrouwd. Ook zorgt hij voor de uitgave van in die tijd spraakmakende boeken.

In 1721 vertrekt Jacob Roggeveen op ontdekkingsreis naar het onbekende Zuidland. Hij voert hiermee een plan uit dat zijn vader Arent reeds 40 jaar eerder bedenkt. Dankzij de scheepsjournalen weten we wat er tijdens de reis gebeurt. Omdat hij het Zuidland niet vindt, ziet Roggeveen de tocht als een mislukking. Toch blijft de naam van deze Zeeuw altijd verbonden aan reizen, ontdekking èn Paaseiland.

Het Paaseiland is één van de meest afgelegen stukjes bewoonde wereld. Ook de vele indrukwekkende beelden maken het eiland tot een bijzondere plek. Lange tijd ziet men het eiland en de beelden als een groot mysterie. Ondanks de teleurstelling van Roggeveen spreekt deze vondst nog steeds tot de verbeelding. Het is daarom opmerkelijk dat in Zeeland niet veel herinnert aan Jacob Roggeveen.

De Vleeshal

De vleeshallen in Middelburg aan het marktplein is een van de plaatsen waar kunst wordt getoond van verschillende kunstenaars. Je ziet hier tentoonstellingen en projecten rondom hedendaagse kunst. Vorig jaar ben ik in de Vleeshallen geweest met groep 5/6. Toen we binnenkwamen was er eigenlijk vrij weinig te zien. De kunst was heel minimalistisch en vooral in de nisjes opgesteld. De kinderen vonden het heel spannend om alles te ontdekken en bekijken.

De vleeshallen zijn gevestigd naast het stadhuis op het marktplein. Er lopen veel verschillende tentoonstellingen en via de website http://vleeshal.nl/nl/ kun je bekijken welke tentoonstelling er nu loopt.

Asiento de Negros

De contracten voor de levering van een vooraf vastgesteld aantal slaven (meestal 3.000 tot 5.000), afgesloten door de Spaanse Kroon, werden tegen betaling van een vastgesteld bedrag verstrekt aan een privé persoon (een edelman, bankier of koopman) of handelsmaatschappij. Deze juridische persoon had dan voor een korte of lange termijn, het recht, of monopolie, om slaven naar Zuid-Amerika te vervoeren, of vergunningen aan derden te verkopen tegen contractueel vastgelegde voorwaarden. De handelswaar, uitgedrukt in “koppen”, dat wil zeggen de slaven waren bestemd voor de havens van Cartagena de Indias, Veracruz en Portobelo, later ook Havanna, waarna doorverkoop plaats vond naar Peru en Nuevo Granada. Jonge kinderen tot veertien jaar werden niet per stuk, maar drie voor de prijs van twee verkocht; hele jonge kinderen tot acht jaar werden per twee voor de prijs van een “kop” verkocht.

Een asiento is dus een contract wat je toestemming gaf om slaven te verhandelen in Amerika.

Verdronken land

En altijd weer is er land dat verdrinkt en zinkt in de oneindige droomschoot van de zee –
waar geschiedenis zichzelf schrijft en rust in wiegende diepzee-archieven.
Geschiedenis met ogen van de eeuwigheid, niet als jij en ik met die kleinmazige menselijke blik.

Het was toen, het is nu, het is straks –
de zee schreeuwt met duizenden monden en zij proeft de tranen van dorpen, van steden, van land –
een mens liep daar, een kind –
maar ook jij en ik –
nog zijn wij eindig en verliezen wij land, ons land, steeds weer.

Nat op nat, glinsterend, witschuimend schrijft de zee
aan de randen van Land in het boek van de aarde
over Noach, de zondvloed en over al het land dat de zee zag en nam.
Waar het eindigt, niemand die het weet –
vraag het de kleurenschietende regenboog, vraag het de zee.

Marijke van der Weel

Het Zeeuwse kustgebied telt naar verhouding de meeste verdronken nederzettingen van Europa. Het gaat om kerkdorpen uit de periode van 900 tot 1500. Ze zijn weggevaagd door het water, veelal als gevolg van een stormvloed. Soms ‘verdrinkt’ een dorp meerdere keren. Het wordt dan op dezelfde plaats of een eindje verderop hersticht, of door zijn inwoners verlaten. Sporen in het landschap, bodemvondsten, archiefmateriaal, kaarten en geschriften herinneren ons aan het leven in inmiddels verdwenen woonplaatsen.

Zeeoorlogen

De Republiek was een groot deel van de zeventiende eeuw in oorlog. In 1648 werd de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje afgesloten met de Vrede van Munster. Lang kon de Republiek daar niet van genieten. Conflicterende handelsbelangen leidden al snel tot twee zeeoorlogen met Engeland (1652-1654 en 1665-1667). In 1672 volgde een gezamenlijk Engels-Franse inval die de Republiek op de rand van de afgrond bracht. Zij overleefde echter en speelde in de decennia daarna een belangrijke rol in de internationale coalitie die zich keerde tegen de territoriale ambities van de Franse koning Lodewijk XIV.

De bestuurders van de kustprovincies presenteerden de Republiek ondertussen als een vredelievende zee- en handelsnatie die slechts met de grootste tegenzin oorlogen voerde om haar economische belangen te beschermen. In dit zelfbeeld waren vlootvoogden en zeelieden de grote helden. Zij werden bezongen in liedjes, hun levens en daden werden beschreven in populaire geschiedenisboekjes en de belangrijkste zeeslagen werden vastgelegd in schilderijen en prenten. Vlootvoogden die sneuvelden in de strijd konden rekenen op een monumentaal praalgraf.

Van alle zeventiende-eeuwse zeehelden is Michiel Adriaenszoon de Ruyter ongetwijfeld de beroemdste. Hij werd in 1607 in Vlissingen geboren als zoon van een eenvoudige bierdrager. Al snel werd duidelijk dat zijn toekomst op zee lag. Na enige tijd als touwslager werkzaam te zijn geweest bij Lampsins, de rijkste redersfamilie van Vlissingen, monsterde hij in 1618 als bootsmansjongen aan op zijn eerste schip. Het was het begin van een avontuurlijk zeemansleven. Als kaperkapitein, schout-bij-nacht en koopvaarder bevoer hij de wereldzeeën en beproefde hij zijn geluk. In 1652 meende hij voldoende fortuin te hebben vergaard om een rustig bestaan aan wal te leiden. Lang heeft De Ruyter niet van zijn rust genoten. Na het uitbreken van de Eerste Engelse Zeeoorlog bood de Zeeuwse Admiraliteit hem een functie aan. De Ruyter accepteerde haar, voor één tocht. Het bleek echter het begin van een nieuwe loopbaan die uitmondde in de hoogste functie in de marine, het luitenant-admiraalschap.

In 1667, midden in de Tweede Engelse Zeeoorlog, beleefde De Ruyter zijn grootste moment. Op aandringen van raadpensionaris Johan de Witt voerde hij de vloot aan die de Engelsen op eigen terrein een grote slag moest toebrengen. Het plan lukte. Een groot deel van de Engelse vloot werd in de Medway nabij Chatham vernietigd. De Ruyter werd vereerd als de nieuwe Hannibal.

In 1676 sneuvelde De Ruyter nabij Syracuse in een gevecht tegen de Fransen. Het had zijn laatste reis moeten zijn. In de Amsterdamse Nieuwe Kerk kreeg hij een marmeren praalgraf op de plek van het voormalige hoogaltaar.

Bron: (http://www.entoen.nu/michielderuyter/po-docent)

Explosie

In het centrum van Middelburg liggen her en der op straat grote brokken steen. Ze lijken daar zomaar een beetje te liggen. Zelf liep ik er ook altijd langs zonder te weten wat ze waren. Het zijn brokstukken van wat eens een enorm prachtig woonhuis was aan de Lange Delft. Een gedeelte van de gevel van dit woonhuis ligt nu door Middelburg verspreid. Als je alle brokstukken opzoekt, dan kom je een heel verhaal tegen.

Het is een verhaal over het bombardement op Middelburg op 17 mei 1940. Het gaat ook over de wederopbouw van Middelburg in de periode erna. Maar ook over de geschiedenis van de Zeeuwse Bibliotheek. En als laatste (en misschien wel het belangrijkste) gaat het over het behoud en beheer van ons cultureel erfgoed.

Zeevis

Na een aantal dagen door het Zeeuws Museum rondgezwerfd te hebben, heb ook ik heel wat nieuwe weetjes opgestoken. Zo is er nu de nieuwe zaal “Willem van Oranje – Heerser en Huisvader” die vorige week is geopend door de koningin. Zo hangt er in deze zaal een portret van Willem van Oranje (kopergravure) uit 1585 (zie de linkse afbeelding). Op deze kopergravure staat hijzelf in het midden met daaromheen een rand met vier rechthoekige vensters. De taferelen in deze vensters zijn ontleend aan het bijbelboek Exodus. Ze vormen een toelichting op het centrale thema van leiderschap. De afbeelding in de rechterbenedenhoek licht de lijfspreuk van de prins toe: “Saevis tranquillus in undis“, rustig te midden van de woelige baren. Net zoals de ijsvogel die zijn nest bouwt op volle zee en daarbij volledig vertrouwt op Gods bescherming (zie de rechtse afbeelding), houdt Willem stand in woelige oorlogstijden dankzij zijn onwrikbaar geloof in God.

Zeeuwse zeeslagen

De aankomende drie dagen ga ik mij bezig houden met archeologie en geschiedenis tijdens de gymnasiumdagen van de CSW. Een van de onderwerpen die aan bod komen zijn de wandtapijten in het Zeeuws Museum. De Zeeuwse wandtapijten zijn de topstukken van het Zeeuws Museum. De zes tapijten vertellen over de strijd van de Zeeuwen tegen de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog. Zij maken onderdeel uit van een unieke serie vervaardigd tussen 1593 en 1604 in opdracht van de Staten van Zeeland.

In 1591 beraden de Staten van Zeeland zich over het bestellen van een wandtapijt met de afbeelding van de slag bij Bergen op Zoom uit 1574. Het tapijt markeert de wens van de Staten om hun nieuwe aanzien op gepaste wijze kleur te geven. De belangrijke vertrekken van de indrukwekkende Abdij waarin de Staten zetelen, zijn van oudsher met tapijten bekleed. Deze opdracht gaat in 1593 naar François Spierincx (1551-1630), een wever uit Delft. Als het tapijt twee jaar later wordt afgeleverd, besluiten de Staten stapsgewijs nog vijf tapijten te bestellen, alle gewijd aan de Zeeuwse zeeslagen. De opdrachten gaan dit keer naar het atelier van Jan de Maecht (ca.1530-1598), die zich onlangs in Middelburg heeft gevestigd. In 1596 gaat De Maecht werken aan Rammekens, een jaar later volgt Lillo. Na zijn dood vervaardigt zijn zoon Hendrick Den Haak en Zierikzee. De vier tapijten worden alle gemaakt naar ontwerpen van de marineschilder Hendrick Vroom (1566-1640). In 1602 sterft ook Hendrick de Maecht. Zijn weduwe Francijntje Obrij is verantwoordelijk voor het weven van het laatste tapijt, een wapentapijt met het portret van Willem van Oranje naar een ontwerp van de historieschilder Carel van Mander (1548-1640). Als het schoorsteenstuk in 1604 in de Abdij wordt bezorgd is de “Camer tapijten” compleet.

De serie wandtapijten hebben in de zeventiende eeuw niet alleen een esthetische functie. Ook worden ze gebruikt om de warmte vast te houden en tocht te bestrijden in de grote, uitsluitend door haardvuur verwarmde zalen. Daarnaast dienen ze een belangrijk ideologisch doel. In de handel, op zee en in het landelijk bestuur concurreren de Staten van Zeeland voortdurend met het eveneens machtige gewest Holland. Die strijd wordt hier met visuele middelen voortgezet. Bij het bezoek van hoge gasten aan de Abdij worden de tapijten ontrold en opgehangen om het belangrijke Zeeuwse aandeel in de strijd tegen de Spanjaarden nog eens te benadrukken: niet de Hollanders, maar de Zeeuwen hebben de Spanjaarden verslagen. Zo claimen de Staten via deze wandtapijten een bijzondere politieke status.

Bron: (www.zeeuwsmuseum.nl)

Stad zonder hart

Rotterdam is, net als Middelburg, in de tweede wereldoorlog compleet plat gebombardeerd. Zonde van zo’n mooie stad. Van deze bombardering is een symbolisch beeld gemaakt. Het monument heet De verwoeste stad, maar is beter bekend als Jan Gat.

Stadsgedicht 14 mei 1940

Ze verbrandden steden als grofvuil.
Hun handen hingen schuil achter helse
machines. Rouwnagels zonder rouw.

Geen graven. Alleen raven als roet.
En rook voor de zon.

Pijn verdicht tot een stille schreeuw
blijft voorgoed in ons haken.
Ik ken die schreeuw. Wie zijn

verleden niet kent,
begrijpt de toekomst niet.

Glimlachend ademt de stad.
Bij het slaande hart waar ooit een gat was,
bij deze smekende armen, zweren we nu.

De woorden zijn gloeiende
gloeiende kooltjes in ons oog:
nooit    meer    haat

Jana Beranova